De jongen met de zwavelstokjes

Het was Oudejaarsavond en gruwelijk koud, het sneeuwde en het begon donker te worden. Op straat liep een arm meisje, blootshoofds en barrevoets. In een oud schort hield zij een heleboel zwavelstokken en één bosje droeg zij in de hand. Uit alle vensters straalden de kaarsen en het rook op straat zo heerlijk naar gebraden gans. In een hoekje tussen twee huizen ging ze ineengedoken zitten.

Ze had het koud, maar naar huis durfde zij niet. Zij had nog geen zwavelstokjes verkocht, haar vader zou haar slaan. Ze besloot één zwavelstokje op te steken om haar vingers te warmen. Op dat moment kwam er een jongeman voorbij. “Wat een prachtig vuurtje”, zei hij tegen het meisje, “heb je ook zo’n vuurtje voor mij?” “Ze zijn te koop”, antwoordde het meisje met de zwavelstokjes. De jongeman keerde zijn zakken binnenstebuiten en had precies genoeg geld om alle zwavelstokjes van het meisje te kopen. Hij voelde zich de koning te rijk en verdween in de koude donkere nacht om overal in de stad zijn zwavelstokjes aan te steken en de mensen te laten genieten van dat prachtige vuurwerk.
Ook het meisje was blij en wilde met het geld naar haar vader gaan toen ze zich plotseling bedacht. Ze kon natuurlijk ook iets lekkers kopen met een grote kom warme chocoladedrank. Op de markt stonden kraampjes met oliebollen, glühwein en broodjes met warme worsten. Het meisje kon zich bij het zien van al dat lekkers niet meer bedwingen en at en dronk haar buikje rond. Ze kocht warme sokken en handschoenen en trok die aan haar ijskoude handen en voetjes. Van haar laatste centjes trakteerde zichzelf tenslotte op een grote zoete wafel met warme kersen en met gloeiende wangen ging ze tegen een muurtje zitten, enigszins beschut tegen de snijdende wind. Na een poosje begon ze het echter toch weer koud te krijgen. Ze durfde niet naar huis te gaan nu ze al haar verdiende geld had opgemaakt en tot overmaat van ramp had ze ook geen zwavelstokjes meer om zich aan te warmen. De kou trok door haar handschoenen en sokken heen en verkleumde haar tot op het bot. Het werd later en later. Er waren vrijwel geen mensen meer op straat en tegen de ochtend van nieuwjaarsdag lag het meisje totaal bevroren tegen de gevel van een huis te slapen. Ze zou zeker dood gegaan zijn als niet toevallig dezelfde jongeman opnieuw langs haar liep en haar herkende als het meisje van wie hij die prachtige zwavelstokjes had gekocht. Hij had een heerlijke avond gehad en liep intens gelukkig huiswaarts. Eén zwavelstokje had hij nog bewaard om thuis aan te steken. En toen zag hij het meisje liggen in de sneeuw en maakte haar wakker. “Waarom lig je hier?”, vroeg de jongeman “waarom ga je niet naar huis?” Het meisje vertelde wat er gebeurd was en waarom ze niet naar huis durfde. “Oh”, zei de jongeman “maar dan ga je toch met mij mee?” Hij hielp het meisje overeind en ondersteunde haar, terwijl ze voorzichtig naar zijn huis liepen. Daar aangekomen stak hij met het laatste zwavelstokje de haard aan en legde het meisje met een dekentje op de bank. “Je bent lief”, zei het meisje zachtjes, terwijl ze langzaam ontdooide. “Je bent zelf lief”, zei de jongeman. En ze leefden nog lang en gelukkig.

Kijk, zo kan het toch ook?

This entry was posted in Arno Schrijft. Bookmark the permalink. Post a comment or leave a trackback: Trackback URL.

Post a Comment

Your email is never published nor shared. Required fields are marked *

You may use these HTML tags and attributes <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>

*
*